Inhoud van een inspectie

De inspectie van een elektrische installatie bestaat uit:

  • de visuele inspectie;
  • de inspectie door meting en beproeving.

Visuele inspectie

Bij de visuele inspectie moeten minimaal de drie volgende vragen beantwoord worden:

  1. Wordt minimaal voldaan aan de normen die van kracht waren ten tijde van aanleg van de installatie?
  2. Zijn de montage-, de onderhouds- en de gebruikersinstructies van de fabrikanten van de componenten opgevolgd?
  3. Zijn er geen beschadigingen die de veiligheid nadelig beïnvloeden?

Bij de visuele inspectie worden de beschermingsmaatregelen gecontroleerd tegen:

  • elektrische schokken;
  • thermische invloeden;
  • overstromen;
  • overspanningen;
  • onderspanningen.

Bij een visuele inspectie van een installatie zal tevens gecontroleerd worden:

  • of de verschillende delen van de installatie eenduidig herkenbaar zijn;
  • of het elektrisch materieel ten minste in overeenstemming is met de installatie-eisen, in het bijzonder met betrekking tot de uitwendige invloeden;
  • of de vrije ruimten en vluchtwegen toegankelijk zijn;
  • of de verbindingen van de zichtbare beschermingsleidingen in orde zijn;
  • of de juiste beveiligingstoestellen aanwezig zijn en juist zijn ingesteld;
  • of de veiligheidsketens in orde zijn waarbij gelet wordt op de bereikbaarheid van noodstop- en werkschakelaars, de staat van het materiaal, de opschriften en dergelijke;
  • of de aanwezige meetinstrumenten, zoals volt-, ampère- en frequentiemeters, de signaallampen en dergelijke, functioneren.

Inspectie door meting en beproeving

Het meten en beproeven kan alleen worden uitgevoerd bij een spanningsloos gemaakt deel van een installatie. Indien voor de meting een hulpspanning nodig is, moet deze van elders worden betrokken.

Voor alle metingen geldt dat zij “reproduceerbaar” moeten zijn. Externe factoren die het resultaat van de metingen beïnvloeden moeten steeds worden geregistreerd. Ook is het van belang dat wordt aangegeven welk meetinstrument is toegepast.

Het verdient aanbeveling alle gegevens van de metingen te registreren en deze te bewaren tenminste tot na de volgende inspectie. Bij het inspectierapport behoeven zij niet te worden overlegd. De norm geeft een opsomming van metingen en beproevingen welke noodzakelijk zijn. Tevens geeft de norm in meerdere bijlagen toelichtingen op de metingen.

De volgende metingen en beproevingen worden gevraagd door de norm:

  • de isolatieweerstand van elk gedeelte van de installatie;
  • de veilige scheiding van stroomketens;
  • de isolatieweerstand van isolerende wanden en vloeren;
  • de aardverspreidingsweerstand van aardelektroden;
  • het ononderbroken zijn van de beschermingsleidingen en hun aansluitingen;
  • de weerstand van beschermingsleidingen;
  • de impedantie van de foutstroomketen in het stroomstelsel;
  • de aanspreekstroom en –tijd van aardlekbeveiligingen;
  • de goede werking van de uitschakelcontacten van schakelende beveiligingstoestellen tegen overstroom;
  • de maatregelen tegen te hoge temperatuur bij normaal bedrijf;
  • de juiste werking van de veiligheidsketens.

Onder bepaalde voorwaarden is het toegestaan om een steekproef toe te passen bij het inspecteren van elektrische installaties. In bijlage W van NEN 3140 is een verantwoorde steekproefmethode weergegeven.

Meer weten over inspecties?

Neem direct en vrijblijvend contact op met onze specialisten: 088 – 467 73 50 of stel uw vraag via email. Direct een offerte aanvragen kan ook. Klik hier.